Het houdt nooit op

Zal de mensheid de eenentwintigste eeuw overleven? Die vraag stelde de Engelse astrofysicus Martin Rees in 2003. Hij schreef: ‘De aarde zelf blijft misschien voortbestaan, maar het zal niet de mens zijn die de verschroeiing van de aarde door de stervende zon moet zien te overleven; wellicht beleeft de mens het niet eens meer dat de natuurlijke hulpbronnen van de aarde zijn uitgeput.’ De vooruitzichten zijn er inmiddels niet beter op geworden, gemeten aan de stijging van temperatuur en zeespiegel.

Van tijd tot tijd steken zogeheten apocalyptische doemscenario’s de kop op: ‘het einde der tijden’, ‘de laatste der dagen’, inclusief ‘het laatste oordeel’. Bijbelboeken als Daniël en Openbaring zouden daarover gaan; ze zouden het naderende einde van aarde en mensheid voorspellen, en de verschrikkingen die daarmee gepaard gaan; en ze vertellen wie er uitverkoren zijn om te worden gered. Dat ziet er toch wel heel anders uit dan het hoopgevende ‘het houdt nooit op’ aan het einde van het vloedverhaal in het bijbelboek Genesis. Laten we daar eens beginnen.

Verderf en geweld

En zo begint het, dat vloedverhaal (Genesis 6:5):

JHWH – de god van de bijbel – zag

dat het kwaad van de mens talrijk was geworden op de aarde

en dat alle plannen die hij smeedde in zijn hart

kwaad waren, dag aan dag.

De mensen beginnen talrijk te worden op de aarde en met de groei van de mensheid wordt het kwaad vermenigvuldigd. Giganten en titanen, getypeerd als ‘reuzen’ en ‘mannen van naam’, vervullen de aarde met verderf en geweld, zij leiden haar naar de totale ondergang. JHWH krijgt spijt over de schepping van de mensheid op de aarde. Hij besluit een einde te maken aan het scheppingswerk dat zijn eigen initiatief was. Alleen Noach, ‘een man rechtvaardig, integer’ (Genesis 6:9), vader van drie zonen, Sem, Cham en Jafet, ontsnapt aan de vloed die de hele aarde overspoelen zal en wordt de vader van een nieuwe mensheid na de catastrofe die de oude mensheid over zichzelf heeft afgeroepen.

Mythologische vertellingen

In verschillende mythologische vertellingen uit de wereld van het oude Nabije Oosten staat het verhaal van de vloed (meestal ‘zondvloed’ genoemd, eigenlijk ‘zontvloed’; het woord ‘zont’ [sont, sint] betekent ‘grote watermassa’ en houdt dus geen verband met ‘zonde’). In enkele van deze verhalen is de overbevolking van de aarde de reden waarom de goden besluiten de hemelsluizen te openen; de mensen maken zoveel lawaai dat de goden er niet van kunnen slapen. Hiermee vergeleken heeft het bijbelse vloedverhaal een andere, unieke strekking: een spiraal van bloedig geweld heeft de mensheid en de aarde onherstelbare schade toegebracht; er rust een vloek op alles wat adem heeft.

De vloed en de ark

Noach wordt aan het werk gezet. Hij is de mythologische held van het verhaal die de opdracht krijgt een ark te bouwen tot behoud van hemzelf, zijn vrouw en drie zonen, en twee exemplaren van elke diersoort, één mannelijk en één vrouwelijk. Alleen van de zogeheten ‘reine’ dieren, dat wil zeggen: bestemd om geofferd te worden na de vloed, moet zeven paar mee in de ark om te voorkomen dat met één offer een hele diersoort zou zijn uitgeroeid. Door deze maatregelen wordt het algehele herstel van het leven op aarde na de vloed gegarandeerd. Tot in detail krijgt Noach te horen wat hij moet doen en Noach voert alles precies zo uit als hem wordt opgedragen.

Ondergang én redding, het zijn twee componenten van het vloedverhaal. Alle leven wordt vernietigd volgens een antischeppingsscenario: de scheiding van de wateren, die plaatsvond op de tweede scheppingsdag, wordt ongedaan gemaakt en daarmee de scheiding van het water en het droge op de derde scheppingsdag. Maar redding is er voor alle levensvormen die in de ark verzameld zijn: ‘Noach alleen bleef over en wat bij hem was in de ark’ (Genesis 7:23).

Wanneer na de ramp Noach de ark heelhuids verlaat en weer vaste grond onder de voeten heeft (het droge is tevoorschijn gekomen als op de derde scheppingsdag), neemt hij voor het eerst in het verhaal zelf het initiatief. Hij bouwt een slachtplaats en brengt een offer van reine dieren – ‘opstijgende gaven’, de rook die opwaarts gaat. ‘JHWH rook de geur van rusten’ (Genesis 9:21). Dat woord ‘rusten’ is in het Hebreeuws nichoach, het zinspeelt op de naam Noach die letterlijk ‘rust’ betekent. De rust die neerdaalt op het slagveld als de strijd gestreden is.

De geur van de slachtgave brengt JHWH tot rust. Zijn woede over het kwaad van de mensheid wordt getemd en hij ‘bekeert’ zich in zijn hart. JHWH blijkt te hebben geleerd van de catastrofe. Dit nooit meer, zegt hij. ‘Nooit meer zal ik om de mens de aardbodem verwensen.’ Met als slotsom, fraai in dichtvorm (Genesis 8:22):

Van nu af, alle dagen van de aarde

zaaien, oogsten,

vorst en hitte,

zomer, winter,

dag en nacht –

het houdt nooit op.

Het einde waarvan?

Houdt het nooit op? Dat is inmiddels allerminst zeker. Als het ooit wel ophoudt, dan door toedoen van ons, mensen die wij zijn. Maar hoe zit het met die apocalyptische doemscenario’s die het ‘einde der tijden’ lijken aan te kondigen? 

Apocalyps, het Griekse woord apokalypsis, betekent ‘onthulling’ of ‘openbaring’ of ook ‘ontraadseling’. Je haalt het deksel van het potje en kijkt wat erin zit. Wat tot dan toe verborgen was, komt aan het licht en wordt zo openbaar. Maar wat dan wel openbaar wordt in apocalyptische geschriften, is voor lezers van vroeger en nu een vreemde wereld. Een of andere ziener, een soort profeet, ontvangt visioenen en hoort stemmen die hem inzicht geven omtrent de geschiedenis van zijn dagen. Ook het ‘einde’ krijgt hij te zien en te horen. Maar het ‘einde’ waarvan? Niet het ‘einde der tijden’ of het ‘einde van de wereld’. Dat is de gangbare opvatting, ook onder bijbelwetenschappers en andere geleerden: apocalyptische geschriften zouden gaan over een kosmische strijd tussen goed en kwaad die uitloopt op het wereldeinde. Maar die definitie is misleidend. De dikwijls groteske en buitenissige beelden waar apocalyptische boeken mee zijn volgestouwd – een beest dat oprijst uit de zee of uit de aarde, een draak – zulke beelden moeten niet naar de letter worden gelezen. Het einde van de wereld? Daar gaan apocalyptische teksten niet over. Waarover wel? Over het einde van de grote wereldrijken, de imperia, de koloniale machten. En over wat er geschieden zal na dit einde: het aanbreken van een nieuwe wereldorde die een totale breuk betekent met het bestaande en het geldende.

Apocalyptische boeken zou je kunnen typeren als ondergrondse geschriften waarin gereageerd wordt op extreme politieke en economische repressie – een vorm van verzetsliteratuur dus. Dat verklaart waarom ze zo moeilijk te verstaan zijn. De schrijvers maken gebruik van taalkundige camouflages, een codetaal. Zo hebben ze het over de onderdrukkende machthebbers van hun dagen, maar zonder hen bij name te noemen. Stel je voor dat hun geschriften in handen komen van de geheime politie. De kringen waarbinnen zulke geschriften circuleren, zouden dan groot gevaar lopen. Het is de taak van de uitlegger om de codetaal te decoderen. Op elke openbaring moet dus een tweede openbaring volgen.

Wereldrijken

Wereldrijken komen en gaan. Opeenvolgende generaties van het oude Juda waren daar getuigen van. Het grote Babylonische Rijk onder Neboekadnezar maakte een einde aan Juda en voerde de bovenlaag van het volk, inclusief koning Jehojakiem, weg in ballingschap. ‘Aan de stromen van Babel zaten wij neer en wij weenden om de gedachte aan Zion.’ Daarna kwamen de Meden en de Perzen, met hun wet van Meden en Perzen, vervolgens het hellenistische rijk, bijeen veroverd door Alexander de Grote, toen ook nog de Romeinen. Enzovoort enzovoort. Ze komen en gaan – maar verdwijnen ze ooit, voorgoed, zulke rijken, gebouwd op machtspolitiek en wreedheid? Wie zal het zeggen, we weten het niet.

Er zijn er nu drie: Amerika, Rusland en China. India zit op het vinkentouw. Amerika wordt geleid door een vastgoedmagnaat die zich schuldig maakt aan schaamteloze graaipolitiek, of het nu gaat om Gaza, Groenland, Venezuela of Oekraïne. En Europa aarzelt en aarzelt om het heft in eigen hand te nemen, om zich los te weken van ‘daddy’, om eindelijk volwassen te worden. Dat zal niet meevallen. De lidstaten prevaleren hun eigenbelang en in verschillende landen waart het spook rond van een bruinrechts nationalisme dat steeds griezeliger vormen aanneemt en de poort opent voor toenemende ontmenselijking. Op dit punt mag geen gewenning optreden, geen ‘laat maar waaien’. Waakzaamheid blijft geboden. Proberen de bakens te verzetten. Begin van nieuw begin. Laat dat nooit ophouden.

 

Tegengif

logo tegengif

Tegengif is een tijdschrift op het snijvlak van politiek, literatuur en bijbel, dat vier keer per jaar uitkomt. Om elkaar een kritische spiegel voor te houden met goede verhalen uit oude bronnen, met nieuwe en beproefde gedichten, met wakkere opinie en leerzame stemmen uit het verleden en het heden.

Agenda