In gesprek met asieladvocaat Maartje Terpstra

Maartje Terpstra (1976) werkt ruim twintig jaar als asieladvocaat. In juni verscheen haar boek Geen weg terug. Met als ondertitel: Een pleidooi voor medemenselijkheid in het Nederlandse asielbeleid. Het begon als een brief aan de kinderen van Imre en Elijah. Over Elijah, een man die Maartje bijstond in zijn asielprocedure, en over Imre die hem ontmoette toen zij zich inzette voor asielzoekers in Amsterdam.

Het begon als een brief en het werd een pamflet.
‘Nou, het is nog steeds een brief! Niet voor niets heb ik het boekje allereerst uitgereikt aan de kinderen van Imre en Elijah. Ik heb het voor hen geschreven. Maar omdat ik het zo’n belangrijk verhaal vond in de politieke context van vandaag, heb ik besloten het te publiceren. Immers, op de begrafenis van Imre, in januari 2023, heb ik veel mensen ontmoet die zeiden: “Alle ellende die we samen hebben meegemaakt heeft ten minste wél iets opgeleverd: een Landelijke Vreemdelingenvoorziening, een bed-bad-brood-regeling, veel meer gesprek tussen asieladvocaten en de IND over menselijkheid in de asielprocedure… Het is niet voor niets geweest.” Maar tot mijn verbijstering waren we nog geen jaar later in een totaal andere situatie beland. Dat schokte me zozeer, dat ik dacht: ik moet dit verhaal op papier zetten. Niet al te pamflettistisch, maar zo dat mensen ruimte hebben om zelf een oordeel te vormen. Veel mensen kennen de verhalen van asielzoekers niet, maar ze oordelen wél. Dat vind ik heel moeilijk om te constateren. Er wordt gesproken over ‘de’ asielzoeker, maar die bestaat niet. Het gaat om individuen, ieder met een eigen verhaal. Ik hoor hun verhalen al ruim twintig jaar. Met dit boekje heb ik hun een gezicht willen geven.’

Het is bij momenten een kafkaësk verhaal dat je vertelt.
‘Zeker. Er zijn veel mensen die denken: onze asielprocedure is sluitend en als je afgewezen bent, moet je weg. Maar er worden fouten gemaakt en wie geen recht op opvang heeft kan niet altijd terug. Onze asielprocedure is niet sluitend! Het is mensenwerk; de uitkomst is mede afhankelijk van de IND-ambtenaar die je treft, de advocaat, of de rechter. En er zijn nog zoveel andere factoren die bepalen of je in staat bent je verhaal te doen: misverstanden vanwege culturele verschillen, trauma, of zoiets banaals als hoofdpijn of vermoeidheid. Hoe meer druk er op de procedure staat, hoe groter de kans dat iemand niet de tijd en ruimte voelt om zijn of haar verhaal uit de doeken te doen. En de druk op de procedure is nu enorm.’

‘Ik ben bewust onbekwaam: ik weet dat ik niet alles zie en dat ik ook niet altijd goed inschat waarom iemand doet wat hij doet. Je moet het uitvragen, je moet iemand de kans geven. Daar heb je tijd en rust voor nodig. Als je iemand die ruimte gunt, krijg je de meest onverwachte antwoorden. Om een voorbeeld te geven: ik was in gesprek met een man die steeds naar boven keek, naar de lucht. De IND interpreteerde dat als onverschilligheid en eerlijk gezegd begreep ik het ook niet. Tot hij ons vertelde dat hij een aanval had meegemaakt op zijn dorp. Toen hij wegvluchtte, lagen er overal lijken op de grond. Die zag hij nog steeds liggen wanneer hij naar de grond keek. Dus keek hij naar de lucht. Dat kun je niet bedenken, zoiets. Daar kom je alleen achter als je iemand voldoende ruimte geeft. Maar als je de procedure comprimeert – als je iemand nog maar één kans geeft om het hele verhaal op tafel te leggen – dan neem je een groot risico dat je een onvolledig verhaal hoort. Als advocaten dat verhaal vervolgens willen aanvullen, worden we vaak niet vertrouwd. Alsof wij mensen woorden in de mond zouden leggen. Op basis van dit wantrouwen worden wij nu volgens mij uit het eerste deel van de procedure gehaald; we mogen mensen niet meer voorbereiden op hun gesprek met de IND.’

Wat zijn de gevolgen daarvan?

‘Soms kan ik in een verslag terugzien hoe een bepaalde manier van vragen averechts gewerkt heeft. Als een ambtenaar bijvoorbeeld van de hak op de tak springt en allerlei losstaande feiten probeert te verifiëren – dat werkt vaak niet bij mensen die getraumatiseerd zijn. Je kunt hen beter rustig hun hele verhaal laten vertellen en af en toe een vraag ter verduidelijking stellen, anders raken ze het spoor totaal bijster. Maar wanneer ik vervolgens een ander verhaal boven water kan krijgen, dan moet ik een goede reden kunnen geven waarom iemand dat niet meteen zo heeft verteld. Tja, ik zie iemand wat vaker. Ik ben misschien iets rustiger. De hele setting is gewoon anders! Advocaten genieten in de meeste landen vertrouwen. Veel asielzoekers komen uit een context waarin ze bang waren voor autoriteiten. Maar wij verwachten dat ze op dat ene moment hun hele verhaal vertellen. Dat is wel heel veel gevraagd. Een goede voorbereiding op zo’n gesprek is cruciaal: “De IND wil jou de kans geven om je verhaal te doen. Als er omstandigheden zijn die dat belemmeren, benoem dat dan. Als je een vraag niet begrijpt, geef dat gerust aan.” Dat soort voorbereiding. Dat dat niet meer kan, daar maak ik me veel zorgen over.’

‘Natuurlijk werken er bij de IND mensen die de oprechte intentie hebben om iemand recht te doen en zijn of haar hele verhaal boven water te krijgen. Maar de IND als organisatie staat onder grote politieke druk. Zijn opdracht is om zorgvuldig te kijken wie recht heeft op bescherming. Maar wat moet je als je als organisatie de opdracht krijgt om je inwilligingspercentage omlaag te brengen? Dan kun je al bijna niet meer neutraal opereren. Hoe bied je weerstand aan die constante druk vanuit de politiek om minder asielverzoeken in te willigen? Dezelfde politici aan wie jij ook verantwoording moet afleggen. Zo’n tien jaar geleden was het inwilligingspercentage lager. Toen zei Wilders: “Zie je wel! Het zijn allemaal geen echte vluchtelingen.” Vervolgens werd geprobeerd  mensen te ontmoedigen om naar Nederland te komen, bijvoorbeeld door het systeem van veilige landen in te voeren. Dat werkte. Het resultaat is dat veel mensen met weinig kans op asiel niet meer naar Nederland komen. Het inwilligingspercentage ging automatisch omhoog, want de groep die blijft komen, dat zijn de mensen die wél bescherming nodig hebben. Maar een hoger percentage is tegen het zere been van de politiek. Wat doe je dan? De IND heeft nu een strengere werkinstructie opgesteld; ik zie dat mensen vaker niet geloofd worden. En dat vind ik zo erg! Zeg liever dat je iemand wel gelooft, maar dat er helaas onvoldoende grond is voor asiel. Erkenning van hun leed is voor mensen zo belangrijk. Ik zie wat het met mensen doet als ze horen dat ze niet worden geloofd. Elijah vertelde dat hij op een gegeven moment zelf ging twijfelen aan zijn verhaal. Dát doen we met mensen: ze gaan twijfelen aan hun eigen identiteit en geschiedenis. Zoals iemand, wanneer je maar lang genoeg op hem inpraat, een misdaad kan bekennen die hij helemaal niet heeft gepleegd. Het werkt bovendien in de hand dat mensen in beroep gaan tegen het besluit: ze blijven denken dat als ze maar de juiste informatie aandragen, dat ze dan misschien wél geloofd worden – én dat ze dan misschien wél mogen blijven.’

Wat heeft de IND nodig om zijn werk goed te doen?
‘Om te beginnen goede mensen. En dat hangt af van stabiele financiering. Nu verdwijnen ingewerkte ambtenaren steeds weer, omdat de financiering blijft schommelen. Op die manier bouwt de organisatie te weinig kennis op. Het eerste wat de politiek zou moeten doen, is structureel budgetteren op basis van een gemiddelde instroom. Nu wordt er steeds afgeschaald zodra dat mogelijk is, en als er dan toch weer meer mensen asiel aanvragen, moeten er in allerijl mensen worden opgeleid die zonder veel ervaring uitvoering moeten geven aan een heel precair proces. Het wrange is: advocaten doen dit werk juist vaak al jaren. We overzien bovendien de hele keten. Toch worden we vaak niet serieus genomen. We zouden geldwolven zijn die alsmaar willen doorprocederen. Nou, als ik geld wilde verdienen, dan werkte ik op de Zuidas! En ik kom óm in het werk! Doorprocederen? Ik wil gewoon dat het in één keer goed gaat. Soms vraag ik me af of men zich realiseert dat ik óók gewoon burger ben van dit land; dat ik natuurlijk óók het belang van de samenleving zie.

Maar ik mag niet cynisch worden. Dat verdienen mijn cliënten niet. Als ik cynisch word, stop ik.’

Als de politieke ontwikkelingen je frustreren…?
[lachend] ‘Dan ga je een boek schrijven! Daarnaast ontwikkel ik bewust mijn netwerk van journalisten en politici. Als dingen echt misgaan, dan kan ik via dat netwerk misschien nog iets betekenen. Maar die weg moet je niet te vaak bewandelen. Gelukkig heb ik ook gewoon fijne collega’s bij wie ik kan spuien. Dan gaat de frustratie niet in je lijf zitten. Bovendien: ik heb vaak zulke leuke cliënten! Ik zou mensen wel eens willen laten zien hoe leuk het is: wat een mooie, verrassende mensen ik ontmoet. Hun verhalen en hoe ze naar de wereld kijken, dat verrijkt mijn leven enorm.’

Je schrijft in je boek bijvoorbeeld over Ubuntu, die uit zuidelijk Afrika afkomstige filosofie over een universele verbondenheid tussen mensen.
‘Ja. In de eerste plaats omdat dat echt bij Imre hoorde en bij Elijah. Maar ook omdat het mij wel past. Ik ben niet gelovig; ik heb geen religieuze leidraad voor hoe ik mijn leven inricht. Maar ik heb lang vastgehouden aan het gedachte-experiment van de Amerikaanse filosoof John Rawls, die ons uitnodigt om bij conflicten of vraagstukken te kijken of je jezelf als het ware uit de situatie kunt halen: wat als jij hier op geen enkele manier een partij in zou zijn, wat zou je dan een rechtvaardige uitkomst vinden? Ubuntu heeft daar voor mij een soort bodem onder gelegd: ik vind het belangrijk om dat zo te doen omdat ik alleen maar bén vanwege de ander; omdat ik me ten diepste verbonden voel met de mensheid: niet alleen met wie nu leeft, maar ook met wie ons voorgingen, en met wie na ons zullen komen. We zorgen zo slecht voor de aarde, misschien verdienen we het niet te overleven. Maar als je ziet waar wij mensen óók toe in staat zijn… We zijn zo kwetsbaar in dat grote heelal en we doen elkaar verschrikkelijke dingen aan, maar we maken ook zoveel moois en liefs. Kijk eens naar de wetenschap, naar kunst – dat kan me enorm ontroeren. Ik zie in mijn werk veelal de nare kant van de mens. De mensen die ik ontmoet vluchten voor vreselijke dingen, onderweg worden ze vaak uitgebuit en als ze hier zijn gaan wij soms heel slordig met ze om. De politiek is helaas al heel lang destructief van aard – dingen afbreken, terug naar af, negatief – en volgens mij roept dat hetzelfde sentiment op in de samenleving. Maar ik geloof dat het mogelijk is om samen weer een opbouwend verhaal te schrijven en dat we daarmee dan echt weer vooruit kunnen. Dat verhaal is groter dan het verhaal dat ik nu heb opgeschreven natuurlijk. Maar het uitgangspunt is denk ik hetzelfde: de kwetsbaarheid van de mens, de noodzaak om samen te werken, onze onderlinge afhankelijkheid.’

‘Ik denk dat ons asielbeleid niet houdbaar is. Als we dat niet anders gaan inrichten, zal het zich tegen ons keren. Maar dat loopt vaak eerst uit op oorlog. Pas daarna gaan we weer bouwen. In mijn werk heb ik gezien wat oorlog met mensen doet. Ik zie te veel mensen die ernstig beschadigd zijn… Er wordt vandaag voor mijn gevoel te gemakkelijk gesproken over oorlog voeren. Of je nou dader of slachtoffer bent, een oorlog laat je nooit meer los. Het is mijn – bescheiden… – missie om een oorlog voor te zijn. Maar [lachend] ik heb alleen een boekje geschreven, hè?’

 

Tegengif

logo tegengif

Tegengif is een tijdschrift op het snijvlak van politiek, literatuur en bijbel, dat vier keer per jaar uitkomt. Om elkaar een kritische spiegel voor te houden met goede verhalen uit oude bronnen, met nieuwe en beproefde gedichten, met wakkere opinie en leerzame stemmen uit het verleden en het heden.

Agenda